De woeste gronden van het Deelerwoud

·

, ,

Heide en een bos vol grove dennen. Het Deelerwoud is landschappelijk op het eerste gezicht niet zo uniek, maar als je beter kijkt, gebeurt er toch van alles wat boeiend is. Een kleine tijdreis door een keurig opgemaakt heidelandschap, waar eens de woeste gronden waren.

Niet ver van de parkeerplaats komen we op een vijfsprong. Een grote zwarte hooglander stampt luid loeiend met zijn voorpoten in het gras, alsof hij zich klaarmaakt voor een aanval. Hij maakt een kuil. Ik kies het pad dat het bos ingaat, ook omdat daar geen stier staat.

Wat het Deelerwoud dan bijzonder maakt? Er is veel wild. Althans, dat zeggen ze. Sporen zien we wel: gewroete grond onder de eiken, door zwijnen. En als je door de bomen kijkt, is alles wat laag groeit kort opgegeten door de herten. Bij een puntige en harige drol op het pad staan we stil. ‘Zie je de zwijnenvacht erin?’, vraagt mijn compagnon, die als populatieonderzoeker voor wolven werkt. Hij maakt een melding van het wolvenspoor.

Midden in het dennenbos staan er opeens rijen oude eiken aan beide kanten van het pad. En dat is zo’n stukje geschiedenis. De meeste van deze paden zijn aangelegd aan het einde van de 19e eeuw. Daarvóór was dit een kaal heide- en stuifzandgebied. Woeste Gronden noemden ze dat. Boeren lieten er hun vee grazen. De man die het gebied toen kocht, baron Van Heeckeren, wilde het steeds verstuivende zand vastleggen en het land bruikbaar maken. Dennenbossen werden aangelegd voor het hout en om wild een leefplek te geven voor de jacht. Wegen werden aangelegd om het hout af te kunnen voeren en om te kunnen jagen.

Dan komt er een gedachte. Het bos waar we doorheen lopen, is eentonig productiebos. De heide is vooral ontstaan door eeuwenlang intensief gebruik. Het wild moest er vroeger massaal zijn en werd bijgevoerd voor de jacht. En met die status quo kwam er een tijd dat we natuur wilden hebben als natuur. Het beheer richt zich nu op behoud. De eentonige bomen en heide moeten blijven. De hertenpopulatie wordt hier niet ingeperkt.  Zouden het niet logischer zijn om in de geest van Van Heeckeren aan te planten, maar dan met meer verschillende boomsoorten? Ik weet er te weinig van af.  

Aan het einde van het pad is het licht. Daar opent zich een weidse vlakte. Best wel enorm voor een stuk land dat Kleine Heide heet. En ook best wel veel gele, lange grasstengels voor een stuk land dat heide heet. Pijpenstro. Een gras dat goed groeit op voedselrijke grond en kan profiteren van de extra stikstof waar het zo veel over gaat in het nieuws. Of hier ooit alleen maar heide heeft gestaan, weet ik niet, maar dat op grote stukken alleen pijpenstro staat, kunnen we zien.

Is dat dan alleen verandering, net zoals de boeren in de middeleeuwen, en baron Van Heeckeren in de 19 eeuw het landschap hebben veranderd? Dan zou je je kunnen afvragen of dat zo erg is. Maar de vermesting en verzuring die bijdragen aan het vergrassen van de heide, zijn niet zomaar een verandering. Door de veranderde samenstelling van voedingsstoffen in de bodem krijgen soorten als pijpenstro de overhand. Waar op heide ruimte is voor allerlei andere planten, ook dicht bij de grond, vormt het hoge gras een steeds dichter tapijt. En daarmee verandert niet alleen het landschap, maar ook het ecosysteem. Want als er minder verschillende planten groeien, verandert ook het leefgebied en het voedselaanbod voor dieren. Sommige soorten kunnen daar flink onder te lijden hebben.

Op de heide staat een eik, midden in het veld, helemaal alleen. Aan het blad herken ik een zomereik. Aan de stam te zien is de boom al oud. Er zitten holtes in de stam. Onder de boom is de aarde omgewroet door dieren, waarschijnlijk zwijnen of koeien, misschien op zoek naar eikeltjes. De mossen groeien alleen in de schaduw van de takken. Eén boom, en al zo veel ander leven.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *