‘Volgt u mij maar.’ Onder aan de trap trekt ze een deur open. ‘Dit bent u.’ Ik bedank de vrouw en laat mijn veel te zware tas op het bed vallen in mijn hut: dat wordt nog wat. Door het raam zie ik auto’s in de rij staan om aan boord te rijden. De reis is nu echt begonnen.
Maanden geleden was er een idee. Sindsdien verzamelde ik spullen: zo licht, warm en waterdicht mogelijk, en liefst betaalbaar. Getest tijdens een vriesnacht op een camping in de Achterhoek, daarna met spoed vervangen door nóg warmer en lichter. Het resultaat ligt nu op het bed: een backpack die nog steeds te zwaar is.
Aan boord van DFDS Ferry MS Princess Seaways naar Newcastle is het verrassend gezellig. Andere reizigers, live muziek, goed eten. Uren staren door het raam, naar lichtjes op zee en sterren erboven. Als mijn koffie de volgende ochtend op is, ligt Engeland alweer voor ons. Treinen en bussen sluiten naadloos aan. Tegen de avond stap ik uit in Drumnadrochit. Nog één nacht in een warm bed. Morgen loop ik alleen.


Lopen
Daar loop ik dan. Dat idee waar ik zo lang mee bezig was, is ineens realiteit. Mijn gedachten lopen harder dan mijn benen: hoe het zal zijn als ik moe word, als mijn schouders pijn doen, is de camping te ver? Even een foto naar mijn vriendin.
De route begint rustig. Door een bos, over glooiende heuvels. Tussen de bomen door ligt Loch Ness. Mooi, maar nog ingetogen. Na twintig kilometer voelt de camping niet als een beloning, maar als een nodige pauze. Niet omdat mijn lichaam het begeeft, maar omdat er te veel in mijn hoofd gebeurt. In de middagzon kook ik gevriesdroogde zalmpasta naast de tent. Langzaam voel ik wat rust in hoofd.
De volgende dag opent Glen Affric zich. Bossen maken plaats voor de Lochs en ruimte. De uitzichten worden groter, de bergtoppen dragen sneeuw. Ik besluit vaker te stoppen. Om er te zijn. De komende dagen zijn leeg: geen boekingen, geen schema. Alleen elke avond een plek vinden voor mijn tent. Een heel nieuw gevoel.
Het landschap verandert van donker groen naar kaler, okergeel. De rivier de Affric loopt met me mee, soms breed en rustig, soms speels. Geen kilometer voelt hetzelfde. Na vijfentwintig kilometer zijn het mijn benen die om rust vragen. Tijd om een plek te zoeken.
Slapen
Dan slaat de twijfel toe. Waar zet je hier, alleen, je tent neer? Dicht bij het water of juist hoger? Open of beschut? Ik merk dat ik daar nauwelijks over heb nagedacht, wat stom!
Het weer werkt mee. Zon, een beetje wind. Dat scheelt wel. Ik kies een open veld, niet ver van de rivier, zodat ik niet ver hoef te lopen voor water. Met wat onhandige sprongen over plassen kom ik bij een zandige vlakte aan de rivier. Tussen de hertensporen. De tent staat sneller dan verwacht.
Moe zijn na een lange dag lopen en dan kunnen rusten is op zichzelf al een heel goed gevoel. Maar dit is nog beter. Een tent, midden in dit landschap, alleen. Ik was me in de ijskoude rivier, filter water voor thee en maak gevriesdroogde risotto klaar. Het smaakt beter dan het mag smaken.
Daarna kruip ik in mijn slaapzak en ik kijk vanuit mijn tent. Naar het avondlicht waarin de heuvels langzaam donkerder worden. En naar een paar herten verderop, die me grazend in het oog houden. Dit is waar ik het voor doe.





Geef een reactie